HET PARK

We waren de spelbrekers in het park.
We hadden gevonden en zochten onwennig
met koude handen in het bladerdonker.

Je jas omarmde mij met lege mouwen,
onze adem drong in de boomschors.
In de schoot van de wortels smolt de aarde 
zonder schaamte.

De mannen bleven op afstand, 
ze verruilden bomen.
Misschien zagen ze dat je te zacht was.
Misschien kregen we tijd.