DE TEKENEN VAN DE HOND Zoals je de hond streelde, wanneer hij tegen je aansprong als je binnenkwam, altijd met de rug van je hand. Zoals je zijn voorpoten van je borst nam en in een kwartslag op de grond liet ploffen. Zoals je je rug dan recht hield. Zo heb ik je leren kennen.


















MIJN DRIEHOEK, ONZE RECHTHOEK De randen van het kleed waarop we morsten waren rafelig als de stem die wegzonk in het donker. Maar hier mocht ik liggen, in een roes met jou minuten roven, mijn rug in het roze, gulzige zout. Al was het glas geweest. Al wat ik hoorde was het die nacht zo genadige kwarts, de diamant die rondjes ruis bleef slijpen, jouw adem, het slapen van de hond.
















NIET MEER DAN EEN OLIEVLEK "Maak je d'r een Ensor van?" Grote tubes onschuld, strepen rode schijn, je zag ze door de rug van het felverlichte doek. Tot ik je doorhad, jou plagend je linnen spiegelbeeld ontnam en jouw ogen de ezel verruilden voor de wijzers van de klok. Zo gaf het ongeduld je twee gezichten. "Dat ben ik?" vroeg je een week later, en je keek alsof de vlekken van mijn vingers op een eerste persing stonden. "Don't explain," redde je snel, met je vinger, met woorden van vernis op een moment dat niet meer drogen zou.
















DE SCHADUW VAN DE DINSDAG Bergen van vragen wist jij als rimpels weg te vagen met twee regels of een knipoog. Ooit sprak je achteloos de waarheid: een gouden plaat is niet om af te spelen, die hang je aan de muur. Ik was als een wond, open als een belofte, zwerend als het weten bleef ik wachten. 's Nachts probeerde ik de sterren in je ziel te lezen, tot ze in mijn ogen vielen als sneeuw in zwart water. Ik hoorde slechts het krassen van mijn nagels en het schuren van de lakens, tot de hond me jankend deed ontwaken.

















WEL DE ROZEN, NIET DE WIJN Op onverwachte tijden kraakte de trap en haast onhoorbaar begonnen de muren te fluisteren, maar het vuur, de glazen en het vloerkleed bleven zwijgen. En jij, je bracht me rozen, straalde zielsgelukkig om me heen en kon geen rood van wit meer onderscheiden. (Niet dat dat zo vreemd was.) Ook toen het voor jou al niet meer Billie Holiday voor en na en altijd was, hoorde ik nog je muziek. Die dinsdagavond dat het zo hard stormde en jij ineens de hond mee uit nam, hoorde ik pas wat ze zong.
















WAARHEID UIT NOODWEER Een bliksem sloeg de deur dicht. Je nam je wereld mee naar binnen, de wind stormde door mijn middenrif. De regen strafte de muren. De ramen trilden als het mes op je keel en rond de klok werd het donker. Verloren momenten waren er niet geweest, maar geschikte evenmin. Zeven weken, wist je verder, maar je wist het pas half zolang. Je haren waren nat, je hapte nog naar adem, meer bevrijd dan bang. Alsof je zelf net het licht had gezien.
















GEEN TIJD VOOR WOORDEN Daar sta je, met het zonlicht op je schouders. Met het kind in je armen dat het mijne niet mocht zijn. Kom binnen, nee, hang je jas nog maar niet aan de kapstok, ga zitten, hier op de bank. Het vloerkleed ken je nog, kijk me nu eindelijk aan. Of doe alsof je weet wat ik ga zeggen en leg ook nu je vinger op mijn lippen. Ja, de klok hangt daar nog steeds.