Kanttekeningen bij de kunstbladen
Florette Dijkstra

Met de kaalslag in de Nederlandse cultuur ten aanzien van verdieping, uitzondering en tegendraadse opvattingen, krijgen de media die ruimte bieden aan actuele kunstbeschouwing en kunstkritiek vanzelfsprekend een tik van de molenwiek mee. Want welk medium laat zich in zijn keuze van onderwerpen en reikwijdte van visie niet verleiden door sponsoren in de gedaante van adverteerders of overheid, die willen dat het gemakkelijker, algemener, jeugdiger en vluchtiger wordt? In de kunstbijlagen van NRC-Handelsblad en Volkskrant worden recensies geschreven door een elitair gezelschap van kunsthistorici die dat al tientallen jaren elke week doet; recensies die naar ik meen in de loop van de tijd minder kritisch en uitdagend zijn geworden, en waarin zelden nog een verrassende gedachte wordt ontwikkeld. Over alles valt te schrijven en met een ervaring van vele jaren is rondom elk kunstproject wel een stuk met een smakelijk begin en een einde te breien.
De hongerige geïnteresseerde die meer en anders wil lezen over hedendaagse beeldende kunst, is aangewezen op een beperkt aanbod van gespecialiseerde kunsttijdschriften en kunstkranten. Ze verschijnen bijna allemaal tweemaandelijks. Wat onderscheidt ze en voor wie wordt er geschreven?

Kunsttijdschriften

Cultuur wordt meestal niet benaderd als de rijke, chaotische, waanzinnige, niet-indeelbare wereld die ze is en waarin het eindeloos avonturieren is. Net als in het officiële kunstcircuit wordt in de kunsttijdschriften- en kunstkrantenbranche onderscheid gemaakt tussen beeldende kunst, literatuur, muziek, dans, film, theater, zogenaamde ‘mixed-media’… et cetera. Er zijn maar weinig tijdschriften die de grenzen slechten en kiezen voor kwaliteitskunst uit alle disciplines: kunst die uitdaagt tot een inhoudelijke benadering.

Metropolis M is het eerste tijdschrift waaraan je denkt als het gaat over inhoudelijke teksten met betrekking tot hedendaagse beeldende kunst. Als academieverlater met pretenties koos je vroeger voor een abonnement op dit tijdschrift, want het geeft ingang tot de moeilijke kunst die ertoe doet. Het is daarbij gericht op de internationale kunstwereld: die wereld waarvan je als jonge kunstenaar deel wilt uitmaken. Als lezer van het blad weet je dat je moeite moet doen om tot de kern van die kunst door te dringen, en dat is ook wat je wilt: het lezen van Metropolis M staat gelijk aan studeren. Maar die studie betreft dan vooral het ontcijferen van het idioom van de schrijvers in het blad. Tot voor kort werd de ‘moeilijkheid’ van de kunst die Metropolis M presenteerde nog eens vergroot door het zwaarwichtige taalgebruik van de medewerkers. Na een restyling is het blad ‘toegankelijker’ geworden. Maar wat is precies de verbetering: leest het blad nu makkelijker of is de kunst waarover geschreven wordt minder hermetisch geworden? Er zijn nog steeds heel veel woorden nodig om de gepresenteerde kunst te duiden, maar de artikelen worden nu verlucht met meer en grote foto’s: het blad dat van oorsprong krampachtig serieus wilde zijn, doet een poging de minder gespecialiseerde lezer te bereiken door het beeld evenveel ruimte te geven als het woord. Metropolis M was een blad om tegenop te zien, maar lijkt nu te willen pronken op de salontafel van de geëngageerde kunstyup.

Ik denk niet dat de academiestudent of jonge kunstenaar van tegenwoordig een abonnement op Metropolis M overweegt. Hij heeft, of had, want de overheidssubsidie is met ingang van 2010 gestopt, een alternatief: Mister Motley, een ‘eigenzinnig en informatief tijdschrift voor iedereen die nieuwsgierig is naar hedendaagse beeldende kunst’. Het compacte tijdschrift met thematische opzet is duidelijk gericht op een jong, studentikoos publiek dat leest via afbeeldingen. De teksten begeleiden het werk van de kunstenaars en nodigen uit tot een actieve reflectie op kunst. Het is razend populair geworden op kunstacademies en komt tegemoet aan de jonge kunstenaar die een ingang zoekt in de uitgestrektheid van de kunstwereld, gemeten in ruimte en tijd. Ik denk niet dat een van de overige kunsttijdschriften of kunstkranten op dit moment de leemte die de teloorgang van Mister Motley veroorzaakt, kan vullen.

Vroeger was de keuze tussen Metropolis M en Kunstbeeld een duidelijke. Kunstbeeld was braaf en niet-vooruitstrevend, Kunstbeeld was voor de liefhebbers en verzamelaars, en Kunstbeeld was commercieel, want als kunstenaar kon je pagina’s kopen, waardoor ieder de mogelijkheid had om zichzelf in het spotlicht te zetten. Maar inmiddels is Kunstbeeld, na een restyling, een belangrijk blad geworden voor de geïnteresseerde in hedendaagse en moderne kunst in binnen- en buitenland. Het biedt interviews, achtergrondartikelen, opiniestukken, recensies en een internationale kunstkalender. Kunstbeeld is breed georiënteerd: er is snel en inzichtelijk informatie uit te halen. In die opzet is het echter nogal ‘algemeen’: de redactie verdeelt zijn aandacht erg netjes over de populairste tentoonstellingen die zich in de periode van publicatie aandienen. En hoe onafhankelijk is Kunstbeeld tegenwoordig eigenlijk? Paginaruimte ‘kopen’ is er niet meer bij, maar wel verschijnen regelmatig bijdragen die worden medegefinancierd door de instellingen waarover geschreven wordt (zoals musea, kunstcollecties, festivals). Het tijdschrift biedt ruimte aan verdieping en specialisme, maar met mate: een teveel aan richtinggeving wordt immers niet beloond met meer abonnees.

Op zich geven Metropolis M en Kunstbeeld samen een goed beeld van de hedendaagse beeldende kunst in binnen- en buitenland, én bieden zij met elkaar inhoudelijkheid en snel inzicht in wat er speelt in de kunstwereld.

Het tijdschrift Hollands Diep, dat na een kort maar krachtig bestaan in de jaren zeventig van de vorige eeuw onlangs een doorstart maakte, presenteert zich als een dikke glossy met artikelen over cultuur, literatuur en politiek, afgedrukt over paginagrote foto’s. In de opiniestukken, interviews en essays gaat de redactie volgens eigen zeggen de kaalslag in de cultuur te lijf: ‘Waar vervlakking toeslaat is er behoefte aan verdieping,’ en Hollands Diep wil de diepte in. Cultuur wordt daarbij ‘in de breedte’ benaderd: er worden geen grenzen getrokken tussen disciplines en ook niet tussen cultuur, politiek en maatschappelijk debat. Het gaat bovenal om wie in het blad schrijft over wie. Hollands Diep kiest voor ‘de beste pennen, de scherpste meningen en het mooiste beeld’. Door cultuur aan politiek te koppelen, wordt een andere benadering van kunst mogelijk gemaakt: het blad lijkt de mogelijkheid te ontwikkelen om een kritischer, controversiëler benadering van kunst en van het kunstbeleid voor te staan dan de overige kunsttijdschriften doen. Toch is Hollands Diep in zijn keuze van het ‘wie schrijft over wie’ erg grachtengordel-journalistiekerig georiënteerd: de artikelen zouden niet misplaatst zijn in Vrij Nederland of in de cultuur- en opiniebijlagen van Volkskrant en NRC-Handelsblad.

Kunstschrift, de opvolger van Openbaar Kunstbezit, is een tijdschrift dat zich richt op ‘kunst en kunstgeschiedenis’. Hedendaagse kunst wordt er wel in besproken, maar vormt niet de hoofdmoot. Het blad, dat thematisch van opzet is, heeft als doelstelling ‘een geïnteresseerd publiek onderhoudend te vertellen wat de moeite waard kan zijn aan beeldende kunst en op hoeveel manieren je er naar kunt kijken.’ We hebben opnieuw te doen met een tijdschrift dat zich richt op het officiële kunstcircuit en daarmee op het grillige, grote publiek van geïnteresseerde leken en kenners.

Museumtijdschrift richt zich op eenzelfde publiek. Het is de opvolger van het truttige Vitrine en presenteert zich nadrukkelijk als ‘onafhankelijk’ van de musea. Dat betekent niet dat het alternatieve circuit in het redactiebeleid wordt betrokken. Museumtijdschrift signaleert en beschrijft tentoonstellingen over hedendaagse en klassieke kunst, design en architectuur, nog vóór ze plaatsvinden, wat de nodige beperkingen oplevert: de artikelen zijn altijd beschrijvend en nooit kritisch; er is immers niets om kritiek op te leveren.

Een heel andere opzet heeft GAGARIN: the Artists in their Own Words, een tweejaarlijks Belgisch tijdschrift waarin alle teksten worden geschreven door hedendaagse kunstenaars uit de gehele wereld. Opgenomen worden uitsluitend nooit eerder gepubliceerde kunstenaarsteksten. Beeldmateriaal en ook advertenties ontbreken. GAGARIN richt zich op het artistieke, documentaire en historische belang van de teksten. Het biedt daarmee tegelijk een bron van informatie over de kunstenaars, via hun eigen woorden. ‘GAGARIN is aimed at those who do not tend to wait until everything is accepted and synthesised and those who are prepared to leave the road to search for stimulating art and ideas while they are still fresh,’ luidt het eveneens frisse redactiestatement. GAGARIN is een tijdschrift, maar elk nummer is tegelijk een kunstwerk. Het idealisme en het vooropstellen van de kunstenaar en zijn taal boven het vergaren van een lezerspubliek, zoals GAGARIN voorstaat, bepaalt ook het beleid van de kunstkranten.

Kunstkranten

Een inventarisatie maakt duidelijk dat de kunstkranten zijn ontstaan vanuit onvrede met de bestaande kunsttijdschriften en dat ze een leemte willen vullen in het aanbod van actuele kunstbeschouwing. In vaak lange artikelen en essays, verlucht met een enkele zwartwitreproductie en geschreven door en voor specialisten (ik denk daarbij aan kunstenaars, kunstfilosofen, kunstcritici en de zich-zo-noemenden), geschreven ook vanuit een soms uitgesproken veronachtzaming van de lezer, wordt stelling genomen tegen de naar een groot lezerspubliek hunkerende glossy kunsttijdschriften.

Een kunstkrant biedt op goedkope wijze een platform voor verdiepende kunstbeschouwing. Om dat platform gaat het, en niet allereerst om de potentiële lezer: daarin onderscheiden de kranten zich van de tijdschriften. Maar de hunkerende lezer stuit helaas vaak op een gebrek aan zelfkritiek en aan redactioneel beleid, waar het gaat om helderheid in taal én ideevorming. Om het publiek toch te bereiken (de oplagen bedragen immers niet voor niets vaak duizenden exemplaren), worden de kunstkranten gratis verspreid over kunstinstellingen.

HTV De IJsberg is een internationaal georiënteerde Nederlandse kunstkrant die zich richt op hedendaagse beeldende kunst, architectuur en vormgeving. ‘HTV staat dicht bij alternatieve ontwikkelingen zoals kunstenaarsinitiatieven en broedplaatsen en doet daarmee haar naam eer aan: zij heeft aandacht voor dat wat onder de oppervlakte van “Het Topje Van de IJsberg” (HTV) plaats vindt,’ schrijft de redactie. De krant stelt de maatschappelijke aspecten van het kunstenaarschap en de kunstwereld centraal, opereert onafhankelijk van de gerenommeerde kunstkritiek en musea, maar vanuit de kern van de kunstwereld: daar waar de kunst ontstaat. HTV De IJsberg biedt onderzoeksmatige artikelen rondom specifieke thema’s (overwegend in het Engels geschreven). Die theoretische benadering, gekoppeld aan het maatschappelijk engagement, bepaalt de noodzaak en waarde van deze krant.

De Witte Raaf, een Belgische kunstkrant die ook in Nederland wordt verspreid, ligt meestal naast HTV in kunstinstellingen en wordt meegenomen in dezelfde beweging, door dezelfde hand. De witte raaf is de krant van het lange kunstessay, waarbij geen limiet lijkt te worden gesteld aan de lengte van de stukken, wat de helderheid van hun inhoud niet ten goede komt. De redactie verklaart zelf dat ze zich niet druk maakt om de leesbaarheid: ‘De toegankelijkheid van De Witte Raaf uit zich niet in een consumptievriendelijk redactioneel beleid maar in de generositeit waarmee het blad ter beschikking wordt gesteld aan geïnteresseerde lezers.’ Een statement dat duidelijk maakt dat de krant allereerst bestaat als podium voor de schrijvers van de artikelen en essays. De ‘generositeit’ van de redactie is groot: het is erg bijzonder dat de krant al vierentwintig jaar bestaat en diepgravende journalistiek bedrijft. De krant biedt specialistische achtergrondartikelen die door hun specialisme en lengte het uithoudingsvermogen van de lezer op de proefstellen. De waardevolle journalistieke parels van De Witte Raaf verzuipen op die manier in de zee van woorden die de bladzijden overspoelen. De redactie wil bij de geduldige lezer iets teweegbrengen: ‘De Witte Raaf wil het gesprek en de reflectie over beeldende kunst in Nederland en Vlaanderen stofferen en inspireren. Het blad kiest voor een ‘probleemgerichte en kritische aanpak die zich niet bij voorbaat bekent tot de codes van een bepaald wetenschappelijk specialisme, of tot één herkenbare standaardbenadering.’ Evenals HTV De IJsberg bestaat De witte raaf tegenwoordig dankzij advertentie-inkomsten, een opmerkelijke prestatie. De kranten worden gesponsord door het officiële kunstcircuit, en of de artikelen erin allemaal worden gelezen of niet: de kranten vinden gretig aftrek. Elk nummer van HTV De IJsberg en De witte raaf moet je als hedendaags kunstenaar tenminste in handen hebben gehad, in het besef dat er in een tijd waarin kunstenaars zich het liefst afwenden van het wereldgebeuren een krant bestaat die de kunsten betrekt bij de maatschappij en de politiek, onvermoeid, al een kwarteeuw lang.

De Kantlijn, het ‘kunstjournaal uit de Zuidelijke Nederlanden’, wordt uitgegeven door Stichting De Overslag in Eindhoven. De krant publiceert kunstbeschouwingen, essays en recensies van kunstprojecten, en biedt vooral ruimte aan schrijvende kunstenaars. Het statement in het eerste nummer (2006) stelt dat een kantlijn een ruimte is ‘om op een andere manier over kunst te schrijven, andere methodes uit te proberen. (…) Het is een werkruimte. De Kantlijn is een plaats voor actieve liefhebbers en pure differentiatie, voor woorden over beeldende kunst, muziek, theater, opera, poëzie, heraldiek, kostuums en andere geheime tuinontwerpen.’ De Kantlijn onderscheidt zich door zich niet te beperken tot beeldende kunst en actuele tentoonstellingen, én doordat de krant bij uitstek een podium is voor kunstenaars en schrijvers, en niet in de eerste plaats voor kunstcritici en –theoretici. Dat brengt een risico met zich mee, want in een ‘werkruimte’ ontstaat niet altijd een volkomen kunstwerk. Maar het risico maakt elk nummer tot een ‘volkomen mogelijkheid’ en dus tot een avontuur. De Kantlijn is van alle kunstkranten het meest open podium waarop de stem van de kunstenaar kan klinken, in alle vrijheid en door geen redactie of redactiebeleid gecensureerd.

<H>ART, in de spreektaal Kunsthart, is een Belgische kunstmagazine over hedendaagse kunst in België en omstreken, dat het midden houdt tussen tijdschrift en krant. <H>ART is het ‘antwoord op de verschraling van de cultuurberichtgeving in de gevestigde media.’ Het is dan ook rijk gevuld met recensies, essays, achtergrondartikelen, opiniestukken en beschouwingen over hedendaagse kunst. De artikelen (geschreven in drie talen) zijn gewijd aan tentoonstellingen in kunstenaarsinitiatieven, musea en galeries: ‘tentoonstellingen worden besproken in plaats van gequoteerd; kunstenaars zijn gesprekpartners in plaats van diva’s; een kunstwerk heeft een inhoud in plaats van uitsluitend een kostprijs.’ <H>ART heeft het formaat van een krant, maar krijgt door de vele kleurenreproducties de uitstraling van een tijdschrift. In tegenstelling tot De Witte Raaf streeft <H>ART ‘naar een mate van volledigheid en een grote toegankelijkheid. Met volledigheid wordt een alerte en diverse verslaggeving bedoeld, met onderscheid tussen hoofd- en bijzaken. Toegankelijk betekent dat wij werken aan een heldere, overzichtelijke en kwaliteitsvolle tabloid over actuele kunst.’ <H>ART verschijnt met de onwaarschijnlijke frequentie van eens in de drie weken. Het blad verenigt de kwaliteiten van een tijdschrift en een krant: het biedt naast uitgebreide essays en artikelen ook korte recensies over tentoonstellingen. De bladspiegel wordt verlevendigd door kleurenfoto’s en een heldere opmaak. Doordat <H>ART frequent verschijnt en een groot aantal medewerkers heeft, is het in mijn ogen de levendigste en belangrijkste bron van informatie en inhoudelijke verdieping waar het gaat om actuele kunst en kunstbeschouwing.

Tubelight is een ‘onafhankelijk recensieblad voor korte, kritische besprekingen van hedendaagse kunst’. De vormgeving van het blad gaat helaas ten koste van de leesbaarheid: de pagina’s verlopen van zwart naar lichtgrijs, en de teksten zijn afgedrukt in wit – met als gevolg dat de artikelen achterin het blad volkomen onleesbaar zijn. De recensies volgen actuele tentoonstellingen, waarbij er veel aandacht is voor experimentele kunst en voor kunstinstellingen buiten het reguliere circuit. Ze zijn geschreven door kunsthistorici en kunstcritici, en het feit dat ze worden gepubliceerd in dit dunne, geforceerd vormgegeven krantje, doet je afvragen waarom de stukken niet in Metropolis M of Kunstbeeld worden opgenomen: daar lijken ze voor te zijn geschreven. Of bestaan daar de websites van de tijdschriften voor?

Want naast het papieren format onderhouden de tijdschriften en kranten websites. Enkele daarvan bieden méér dan alleen een agenda en een digitaal archief van de verschenen nummers. Metropolis M heeft zo’n aanvullende website waarop recensies, columns en informatie over de internationale kunstwereld worden geplaatst die het tijdschrift niet gehaald hebben. Ook Mister Motley bood op haar website extra artikelen en informatie, zoals over de kunstkennisdagen die het tijdschrift organiseerde, Daarnaast was er een weblog waarop kunstenaars zichzelf en hun kunstwerken konden presenteren. <H>ART biedt extra informatie op een website die net als het tijdschrift helder is vormgegeven en de zoeker snel leidt naar aanvullende artikelen en informatie. Op de website van Tubelight verschijnen, tussen de nummers van het tijdschrift door, artikelen die niet in de krant worden gepubliceerd.

Een enkele kunstkrant presenteert zich alleen op het web: blue-turns-grey is een digitaal kunstmagazine dat poëzie en beeldende kunst combineert. Het bestaat dankzij zijn onstoffelijkheid: het magazine is kosteloos en op elk uur van de dag en het leven te bekijken. Het ‘leest’ als een tijdschrift en doet de geïnteresseerde als vanzelf van tijd tot tijd terugkeren naar de webpagina’s. Maar het bestaat dan ook alleen dáár, in het digitale universum.

De papieren magazines verwijzen graag naar hun website, waarop in de meeste gevallen extra informatie wordt geboden. Maar worden ze bekeken? Zeer zeker door degene die op zoek is naar specifieke informatie over een tentoonstelling of kunstenaar. Maar een vervanger voor de tijdschriften en kranten zijn ze niet. Een papieren medium is nu eenmaal een voorwerp waarmee het goed vertoeven is, omdat het tastbaarheid en ideeëngoed met elkaar combineert. De kranten en tijdschriften vormen een cultuur en kunnen dus de gedaante van een kunstwerk aannemen.

Wat onderscheidt dus de kunsttijdschriften van de kunstkranten? Onwillekeurig bepaalt het aantal abonnees de oplage en de inhoud van de tijdschriften. Bij de kranten komen de lezers op de tweede plaats: het medium is er vooral voor de schrijvers. Het is hun podium, zij bepalen het gezicht van de krant, zij zetten een koers uit die door de lezer kan worden gevolgd of niet – dat is niet de eerste zorg van de redactie. De kranten bieden daarbij ruimte aan scherpe, ongewone, niet-correcte visies op de kunsten –invalshoeken die bij de tijdschriften vaak ontbreken. Kunstenaars krijgen de mogelijkheid zich erin uit te spreken over kunst en daarbij geven de kranten bij uitstek inzage in een kunstwereld die opereert, functioneert en floreert buiten de erkende kunstpodia. Met als gevolg: soms onleesbare en te lange teksten, maar ook: het onverwachte en tergende, het vrije podium en de rebellerende blik, de verrassing (zelfs ook deze: zal er weer een nieuw nummer uitkomen?), de uitdaging en het zoeken naar diepgang…

De kranten werken eraan om onafhankelijk te functioneren van subsidies, zonder concessies te doen: dat is een grote prestatie. In ruil voor advertenties wordt wellicht meer ruimte ingeruimd voor artikelen over musea en kunstinstellingen – of zouden ze het om niet doen? Het is te hopen dat de kranten hun onafhankelijkheid en vrije blik durven te waarborgen, en dat ze de kunstenaars een blijvend podium bieden, een vrijplaats – want daarin schuilt hun wezenskracht, alsook die van de kunsten. Blijft de vraag waarom er als nooit eerder zoveel wordt geschreven over hedendaagse beeldende kunst.

Florette Dijkstra, januari 2010

homepage